Deel I: Verbannen uit Saga
Hoofdstuk 10: De Zonnekoning
11
Terwijl zijn Stem voortsprak, keek de koning
gelukzalig glimlachend voor zich uit. Zijn ogen schenen naar binnen gekeerd; zijn
slanke vingers speelden met de gouden speld waarmee zijn mantel bijeengehouden werd.
De verschrikkelijke woorden - vijanden, strijd, gevaar - leken volkomen langs hem
heen te gaan. Elvin was ontzet.
`Hoe kunnen jullie hém als vorst vereren!’ siste hij tegen Taris. `Hoe kunnen
jullie hem in de krijg volgen - een idioot!’
Taris schudde zijn hoofd en wees met zijn ogen waarschuwend naar de mensen aan
de voet van de trappen, slechts enkele tientallen voeten van hen verwijderd.
Maar toen hij zag dat Elvin zich niet kon bedwingen en alweer zijn mond opendeed,
fluisterde hij: `Het is het beste dat ons land kan overkomen. De mensen wensen
iemand op de troon, een luisterrijk vorst, met pracht en praal omgeven.’ Hij knikte
naar de eerbiedwaardige raadsleden. `Maar de beslissingen worden genomen door
degenen die dat het beste kunnen.’
`Maar waarom dan nog een koning?’
`Dat voorkomt ruzie’, glimlachte Taris. `Geloof me, het is het beste zo. Monaris
leed niet aan dit euvel, hij nam zijn eigen beslissingen en kwam voortijdig om.
Moralis was net als zijn kleinzoon, en zíjn regeerperiode was lang en rechtvaardig.
De moeder van deze kinderen is speciaal uitgezocht, een meisje uit de bergen,
schoon, maar niet in staat te spreken, wandkleden te weven, of zelfs maar een
spintol te hanteren...’ Zijn lippen bewogen niet zichtbaar terwijl hij sprak
en Elvin begreep dat ze niet geacht werden te praten zolang de ‘s Konings Stem
weerklonk. Hij schaamde zich; hij zou het niet in zijn hoofd gehaald hebben er
doorheen te babbelen als er een floorn aan het woord was geweest.
Er werd gejuicht. De toespraak was ten einde, en kennelijk had die de mensen niet
angstig of opstandig gemaakt. Elvin had nu spijt dat hij niet geluisterd had, dat
hij zich had laten afleiden door uiterlijkheden.
Rorin drukte zich angstig tegen Elvin aan. Het juichen van de mensen was overgegaan
in een gezang, een eindeloos herhaalde spreuk of lofuiting in een voor Elvin
onbekende taal.
`Rorac el khelvin jac kheowyn, rorac el khelvin jac kheowyn, rorac el khelvin
jac kheowyn...’ galmde het over het Hemelplein. Luider en luider, en in een
steeds sneller ritme. Het was moeilijk niet meegesleept te worden; Elvins
lippen vormden de woorden ook al: `Rorac el khelvin jac kheowyn...’ De koninklijke
tamboers, merkte hij, waren degenen die het ritme opzweepten. De menigte op het
plein strekte de armen naar de hemel, stampte met de voeten, schudde met de
hoofden. Schuim verscheen om de monden, ogen sperden zich open, zweet brak uit
op de voorhoofden. Een deining ontstond in de massa, als een golf die zich eerst
onmerkbaar vormt op volle zee, hoger en hoger aanrolt op de kust en dreigt te
breken...
Plotseling was het afgelopen. Het getrommel brak af, en als één man zwegen de
mensen. Ze wisten zich het zweet van het gelaat en keken bedaard toe hoe de
koning en zijn kinderen het paleis werden binnengeleid. De fakkels doofden,
allemaal tegelijk. In het donker straalden de sterretjes op de kledij van de
raadsheren nog na, tot die ook door de zwak verlichte paleisingang waren
verzwolgen. De mensen keerden zich rustig om, en begaven zich, her en der
nog in groepjes napratend, bedaard op weg naar huis.
Elvin stond er nog, met kippenvel over al zijn leden. De groenling had zijn
hoofd tegen Elvins heup gedrukt en trilde. Hij wilde niet opkijken, zelfs niet
toen Elvin zei dat alles voorbij was, zelfs niet toen een wachter hun maande
hun slaapstee op te zoeken.
`Elvin’, piepte het kind toen hij weg was, `je laat me toch niet alleen... je
laat me toch niet in de steek?’
volgende pagina |
vorige pagina |
inhoud |
landkaart
wordt vervolgd ! |