Deel I: Verbannen uit Saga
Hoofdstuk 4: Raadselachtige reisgezellen
1
Elvin draaide zich om, deed een stap
achteruit en bekeek de spreker. Voor weglopen was geen tijd meer, maar er leek ook weinig
aanleiding voor. De floorn droeg kleren die door mensenhanden gemaakt leken, maar wel
erg lang geleden. Achter zijn oor stak een soort fluit. En boven zijn hoofd fladderden
twee witte vogeltjes.
Die vogeltjes deden het hem. Elvin had ze eerder gezien, in het deel van zijn leven
dat hij zich - bij vlagen - kon herinneren. Met een Florijnse buiging bood hij de
rug van zijn hand om aan te ruiken.
'Elvin Nedergast, met genoegen', zei hij.
De floorn beantwoordde zijn beleefdheid, snuffelde aan zijn hand en reikte
hem de zijne toe.
'Galdin', zei hij vrolijk, `'aldin Veernest, floorn op doorreis,
met minstens evenveel genoegen! Blij je te zien, om eerlijk te zijn!'
'Dat is wederzijds', zei Elvin uit de grond van zijn hart. De naam kwam hem
vaag bekend voor. Misschien had hij deze rasgenoot vroeger gekend? Hij leek
zo ongeveer van dezelfde leeftijd als hij, maar dat was een gevoel, want
Elvin had geen idee hoe oud hij zelf was. Onwillekeurig keek hij om zich heen
om te zien waar de andere floorn waren. Floorn reisden zelden alleen. Omdat ze
geen wapens droegen, lag hun enige bescherming in hun aantal. Galdin ving zijn blik.
'Ik ben alleen', zei hij. `Maar om helemáál eerlijk te zijn, ben ik daarentegen niet
volstrekt alleen. Ik heb een mens in mijn spoor, met je goedvinden.'
`En zonder mijn goedvinden ook wel, denk ik!’ lachte Elvin. Zijn hart leek opeens
een stuk lichter in zijn borst te liggen. Hoe lang was het geleden dat hij de
luchtige kout van een mede-floorn had gehoord! Hij wist het niet, maar het moest
héél lang zijn.
Om dezelfde flauwe bocht waar zo-even de ossenkar was verschenen, kwam nu een man
aangestapt. Toen hij dichterbij was, zag Elvin dat het een noorderling was, tengerder
gebouwd dan de doorsnee-Sagaar. Zo op het eerste gezicht vertoonde hij enige gelijkenis
met Taris, hoewel hij magerder scheen. Elvin wuifde vast. Dagen en dagen had hij
alleen rondgezworven, vooral ‘s nachts, om de Poolster als richtsnoer te hebben
(hoewel dat in sommige dichtbegroeide stukken nog moeilijk genoeg was geweest).
Gezelschap, al was het maar voor even, was hem heel welkom. De man wuifde terug
en versnelde zijn pas.
'Kom laten we gaan zitten', zei Galdin. Hij deed het zelf meteen, in de berm,
waar een paar stronken van omgehakte bomen tussen het gras verscholen zaten. Hij
haalde een knapzakje van zijn rug waaruit een zakje gedroogde paddestoelen en
een kruikje wijn kwamen. Elvin sloot zijn ogen van zaligheid toen hij de geuren
in zijn neus kreeg.
'Met die paddestoelen houd ik mijn vriend Zwam daar te vriend', fluisterde Galdin
samenzweerderig. 'Hij is na lange tijd weer op weg naar zijn eigen land. Hij
snákt, en zo is het.' Elvin lachte maar weer. Alles leek om te lachen te zijn.
De man voegde zich bij hen. Elvin sprong overeind om hem op de mensenmanier de
hand te schudden, en stelde zich voor. De Bergamoner bleek Verris te Starna
te heten en op weg te zijn naar zijn geboortestreek. Het voorvoegsel `te’ wees
erop dat hij van adellijke afkomst was, hoewel hij er even haveloos uitzag als
zijn metgezel. Zijn kleren, die eens blauw of groen moesten zijn geweest, hingen
in grauwe vodden om hem heen. Maar zijn heldere ogen keken Elvin vrolijk en zonder
argwaan aan.
'We zijn een mooi stelletje bij elkaar', zei Galdin. 'We moesten maar samen verder trekken.'
volgende pagina |
vorige pagina |
inhoud |
landkaart
wordt vervolgd ! |