Deel I: Verbannen uit Saga
Hoofdstuk 8: De vlucht van de motten
6
Taris haalde zijn schouders op.
`Je volgt mij, je gebruikt mij’, zei Elvin verbolgen. `En dat doe je op bevel
van een koning die de jouwe niet is. Wat heeft koning Oswel met mij voor,
wat wil hij van de Floorn? Of ken je zijn bedoelingen niet?’
`Als ik de bedoelingen van Oswel de Eerste kende, zou ik ze vermoedelijk
niet met jou bespreken’, zei Taris, plotseling met de waardigheid van een
paladijn van de koning. `Maar helaas, ik ken ze niet. Herinner je je die
dag dat je naar het paleis ontboden werd?’
`Vaag’, zei Elvin - niet geheel naar waarheid.
`Nou, ik heb je al verteld dat er de avond tevoren een veldheer aankwam, de
enige overlevende van een onderzoekingstocht naar de bergen. Het nieuws dat
hij meebracht stemde de koning zorgelijk; daarna had Oswel een lange bespreking
met zijn wichelaar. Vroeg in de ochtend liet hij jou komen. Wij, ik en mijn makkers,
kregen de opdracht je naar de grens te begeleiden, en daarna moest ik met jou
meereizen tot je je bij de andere Floorn zou voegen. Jammer genoeg zijn de rollen
nu omgedraaid. Jij volgt mij, en ik maak me sterk dat onze weg niet naar de
verblijfplaats van jouw volk voert.’
De roes van Aza’s wapenknechten was op een hoogtepunt. Op sommigen van de mannen
had de drank zijn uitwerking niet gemist; ze maakten ruzie en gingen zelfs met
elkaar op de vuist. Anderen waren in slaap gevallen, slordig om het vuur heen,
met het hoofd op andermans borst of een been dwars over een metgezel heen. Aza
maakte zich los uit de schaduw toen haar hoofdman zich wilde vergrijpen aan de
kok, zijn hand aan zijn dolk en zijn tanden ontbloot.
`Kom, ga nu slapen. Ik heb jullie nog nodig, allebei’, zei ze. Het klonk zoet,
maar een verholen dreigement in haar stem maakte dat de mannen onmiddellijk
gehoorzaamden. Ook Taris voegde zich bij de anderen. Ze wikkelden zich in hun
mantels en kropen zo dicht mogelijk bij het vuur, dat de kok inrekende voor hij
ook ging slapen. Elvin klom een stukje langs de helling omhoog tot hij een plekje
vond waar hij zich prettiger voelde dan tussen die woeste kerels met hun
drankadem. In een spleet groeide een lage struik die hem enigszins zou beschutten
tegen de blikken van de anderen. Hij maakte zich klein en wurmde zich in de
spleet. Voor hij insliep stelde hij zich voor dat hij in een kring met andere
Floorn een zangdichtspelletje deed onder handgeklap en belgerinkel, terwijl
een kelk mede van hand tot hand ging.
De volgende dag klommen ze nog hoger. De bovenste toppen glinsterden wit als
ze even tussen de nevels te voorschijn kwamen, en in de loop van de dag
doorkruisten ze een vlakte van louter ijs. Het `pad’ bestond hier uit niet
meer dan rode tekens die op de verspreide rotsblokken waren aangebracht om
de route aan te geven. Als ze de konijnenvellen niet hadden gehad om onder
hun voeten te binden, dan waren ze vast en zeker een voor een uitgegleden en
in de talrijke kloven verdwenen. De mannen mopperden niet meer, maar zwegen
verbeten.
Elvin verwonderde zich erover dat de befaamde handelsroute van Saga langs
Spor naar Bergamon uitliep in zo’n min spoor, waar geen kar overheen zou
hebben gekund. Taris legde hem uit dat hier vroeger een goede weg had gelopen,
voor de ijsmassa’s waren gaan schuiven. Dat de weg niet was hersteld, kwam
door de oorlog met Uglon, die een gat had geslagen in Saga’s goudvoorraad. Bovendien
had de broze vrede veel mankracht naar de Mergelketen in het oosten getrokken,
die de grens vormde met het schaamteloze buurland.
`Strijdlust is een sloper, vrede is goedkoper’, mompelde Elvin.
`Niet in dit geval’, antwoordde Taris. `Deze vrede kost Saga meer dan haar lief
is. Oswel de Eerste heeft toegestemd in een huwelijk met Aza. Je hebt de
ijlbode gemist toen je de paarden wegbracht. Daarom waren die kerels zo
uitgelaten gisteren.’
volgende pagina |
vorige pagina |
inhoud |
landkaart
wordt vervolgd ! |